Stotteren bij kinderen

 

Stotteren bij peuters en kleuters

 

Therapie bij peuters en kleuters

 

Stotteren bij kinderen van de basisschoolleeftijd

 

Therapie bij kinderen van de basisschoolleeftijd

 

 

Stotteren bij kinderen van de basisschoolleeftijd

 

Niet-vloeiend spreken komt bij 4 à 5 procent van de kinderen op de lagere school voor.

Tijdens de basisschoolperiode maakt een kind een grote ontwikkeling door zowel cognitief en sociaal-emotioneel als betreffende de motorische vaardigheden.

Kinderen die als peuter of kleuter hebben gestotterd kunnen later opnieuw of ernstiger gaan stotteren. De oorzaak is waarschijnlijk de disbalans tussen enerzijds de vaardigheden en mogelijkheden en anderzijds de verwachtingen van zichzelf en zijn omgeving.

Vanaf 8-jarige leeftijd verandert het kind op sociaal-emotioneel gebied, het kind wordt zelfstandiger en is steeds meer en beter in staat zijn eigen gedrag en het gedrag van anderen te beoordelen (metacognitief vermogen). Ook op motorisch en cognitief gebied wordt het kind vaardiger en zelfstandiger, de taalontwikkeling is nog volop in ontwikkeling en het spreektempo wordt hoger.

 

Stotterproblemen kunnen zich ontwikkelen wanneer het kind met aanleg voor stotteren uit balans raakt tijdens de ontwikkeling.

Een goede balans tussen datgene wat het kind aan vaardigheden heeft en dat wat er van hem verwacht wordt is ook bij oudere kinderen niet altijd vanzelfsprekend.

 

Het kind krijgt meer vrijheden om zelfstandig te functioneren maar er zijn steeds meer en hogere verwachtingen van de ouders en school. Van de kinderen wordt in deze leeftijdsfase verwacht dat ze zelfstandig naar vriendjes/school gaan, zelf bellen om afspraken te maken, sociaal gedrag vertonen, op school boekbesprekingen en spreekbeurten houden en kunnen discussiëren.

 

Bij het kind met aanleg voor stotteren kan stotteren naar voren komen als het binnen een van de ontwikkelingsgebieden spanningen ervaart. De spanningsgevoelens en moeite die hierbij gepaard gaan bij het kind zelf en zijn directe omgeving kan een uitlokker van het stotteren zijn.

Het stotteren kan meer gaan opvallen bij het kind zelf en bij zijn omgeving. Veel kinderen die stotteren in deze leeftijdsfase zijn bewust op zoek naar een oplossing voor het stotteren, ze proberen het stotteren te verminderen en minder opvallend te laten zijn. Juist het ‘je best doen om niet te stotteren’ geeft meer inspanning en spanning en vaak hierdoor meer stotteren.

Er is sprake bij het kind van gevorderd stotteren als hij overtuigd is dat hij stottert en daar een negatief oordeel over heeft, situaties uit de weg gaat en zijn gedrag aan het stotteren aanpast. Nog ernstiger is het als het kind zich sociaal gaat isoleren, angstig wordt in spreeksituaties, geen duidelijke plaats heeft in zijn groep en zichzelf als anders gaat zien.

 

Stotteren heeft een binnenkant en een buitenkant.

 

De ‘binnenkant’ van het stotteren

De ‘binnenkant‛ van het stotteren is niet altijd gemakkelijk op te merken. Een kind dat stottert kan spreekangst ontwikkelen.

Als het kind praat denkt het dan meer aan zijn stotters of de mogelijke reacties van anderen dan aan waarover hij vertelt.

Ook kunnen er negatieve emoties omtrent het stotteren ontstaan: schaamte, verdriet, minderwaardigheidsgevoelens, boosheid. Kinderen gaan vaak hun best doen om niet te stotteren: minder praten of doen alsof zij het antwoord niet weten. Het kind kan zich daardoor meer terug gaan trekken of juist bravouregedrag gaan vertonen. Deze gedragingen geven extra spanning die het spreekprobleem negatief beïnvloedt: de negatieve stottercirkel is dan ontstaan-> angst om te stotteren -> spanningsgevoelens ->spierspanningen ->verstoord ademritme, sneller spreektempo, gespannen lichaam- en spreekspieren-> stotteren -> bevestiging van stotteren->piekeren over stotteren -> angst om te stotteren-> etc.

 

De ‘buitenkant’ van het stotteren

De ‘buitenkant‛ van het stotteren is datgene wat we als luisteraar opmerken: het herhalen van delen van woorden, het verlengen van klanken, het vastzitten op bepaalde klanken, de stopwoordjes die iemand gebruikt, de meebewegingen van het lichaam of in het gezicht, het veranderen van zinnen of het gebruiken van synoniemen omdat een bepaald woord moeilijk uit te spreken is. Kortom: een worsteling om uit woorden te komen. De herhalingen, verlengingen en blokkades binnen het spreken zijn de kern van het probleem, dit noemt men het kernstotteren.

Er is een groep kinderen die ‘vechtend stottert‛. Onder de oppervlakte ligt altijd het gevoel dat stotteren niet mag. In plaats van rustig de herhalingen, verlengingen en blokkades te laten komen gaan zij extra kracht gebruiken om niet te stotteren. Dit vechtgedrag in het spreken kan zich uiten in gespannen bewegingen van tong, lippen, kaken en andere gezichtsspieren. De blokkades worden heftiger. Ook kunnen zij gaan meebewegen met het hoofd, de handen en de voeten of is er spanning te zien in het gezicht.

 

De relatie tussen stotteren en broddelen:

Broddelen en stotteren zijn beide communicatiestoornissen.

De overeenkomsten in het spreekpatroon zijn onder andere de herhalingen, tussenwerpsels en pauzes tijdens het spreken. Daarnaast is het gebonden aan spreeksituaties, hoewel vaak in tegengestelde situaties. Een duidelijk verschil is dat de broddelaar niet bewust is van zijn ‘onvolkomenheden’ bij het spreken en dat het spreken bij broddelen verbetert bij extra aandacht, terwijl het spreken bij mensen die stotteren bij extra aandacht juist moeilijker wordt.

Bij een persoon die broddelt ontbreekt de aandacht voor zijn manier van spreken en is er geen angstfactor met de daarbij behorende anticipatie.

Als poging om niet te broddelen komt het soms voor dat kinderen gaan stotteren, onder andere doordat ze de bezorgdheid van de ouders en/of de door hen gestelde (verborgen) eisen opmerken, daarnaast kan het kind zelf ook het eigen falen opmerken en doordat ze niet weten hoe het praten duidelijker en makkelijker te maken, ontwikkelen ze spanning en angst in spreeksituaties. Wanneer broddelen mede de oorzaak is van het stotteren is de therapie allereerst gericht op het stotterprobleem. Naarmate de therapie vordert zal de aandacht voor het broddelen groter worden.

 

 

naar boven